1 algemene informatieDeze pagina bevat ons assortiment
fruitbomen. Buiten een korte beschrijving vindt u ook nuttige tips in
verband met het aanplanten en onderhoud van uw fruittuin.
Fruitbomen worden niet enkel ingedeeld naargelang de vruchten (appel,
peer, pruim,...), maar ook naargelang de hoogte.
Wat is belangrijk om weten?
Er is keuze uit 3 groepen: laagstam, halfstam en hoogstam. We zetten de
voor- en nadelen even voor u op een rijtje.
Laagstam (of struik)
- hebben een stamlengte van ongeveer 50 cm
- geschikt voor de kleine tuin
- zeer makkelijke oogst
- kindvriendelijk
MAAR
- men kan er niet onderdoor, oppassen met insnoeien
Halfstam
- hebben een stamlenge van ongeveer 1.50 m
- meest gebruikte groep van fruitbomen
- makkelijk in onderhoud (snoei)
- zeer makkelijk te oogsten
- men kan er nog onderdoor indien nodig
Hoogstam
- hebben een stamlengte van ongeveer 2 m
- ogen mooi in het landschap en de boomgaard
- men kan er makkelijk onderdoor (ook met de auto, machines,...)
- men kan er vee onder laten grazen
MAAR
-onderhoud en oogst verlopen iets moeilijker, het gebruik van een ladder
is noodzakelijk
2 Het aanplanten van fruitbomen.
Planttijd
Fruitbomen worden meestal aangeplant wanneer deze planten in rust
zijn, d.w.z. van half november tot einde maart. Ook in de winter, bij
vorstvrij weer kan er geplant worden.
Omdat er de laatste jaren veel fruitbomen worden verkocht in pot kan je
nu het jaarrond gaan planten. Bijkomend voordeel van fruitbomen in pot
is het sterker wortelgestel en geen groeistilstand bij het verplanten.
Grondbewerking
Het is aan te raden voldoende voorbereidingen te nemen vooraleer men
gaat planten. De planten mag men nooit onbedekt in zon of wind laten
liggen om uitdrogen te voorkomen. Zijn de wortels toch redelijk droog,
dompel ze dan eerst in water of besproei ze even alvorens te planten.
Indien men niet onmiddellijk na ontvangst kan planten, dan moet men de
planten voorlopig inkuilen (geldt niet voor bomen die in pot zitten).
Het plantgat moet voldoende groot zijn d.w.z. 50 bij 50 cm groot en ook
50 cm diep. Het is aan te raden om vivimus (plantputaarde) in het
plantgat te vermengen met de eigen grond. Dit zorgt voor een actieve en
gezonde bodem wat de groei dan weer bevordert.
Bij het aanplanten zelf moet men er rekening mee houden de planten zo
diep te zetten als dat ze gestaan hebben (ong. 5 cm boven de eerste
wortels).
Bemesting
Wanneer bij het planten de nodige plantputaarde al voorzien is, is
dit alvast een goed begin. Goede grond (met plantputaarde) voorkomt
veelvuldig bemesten. Een laagje vivimus (plantputaarde) rond de boom
leggen, vooral tijdens de zomer, is zeer goed en bevordert de groei.
Meststoffen kunnen in het voor- en of het najaar gestrooid worden. Wees
wel zuinig met scheikundige meststoffen, bij overmatig gebruik verzieken
ze de bodem en verminderen het afweersysteem van de planten. Wij raden
echter organische meststoffen aan, zij zijn minder agressief en beter in
gebruik.
Ziekten
Ziektebestandige soorten kiezen kan u al heel wat ellende besparen. Toch
is dit niet de garantie voor een probleemloze boomgaard.
Voor het bestrijden van ziekten en plagen kan u 1 van onze
plantenspecialisten raadplegen. Zij tonen dan het ideale product uit
onze tuinapotheek.
3 Soorten fruit :
APPEL
De appel behoort tot het omvangrijke planten geslacht Malus. De bomen
zijn geschikt voor alle gronden op voorwaarde dat de grond voldoende
voedsel en geen storende lagen bevatten. De grondwaterstand moet
constant en niet te hoog zijn. De groei beheerst men door het insnoeien.
Bij de vormsnoei zijn de hoofdtakken belangrijk. De onderhoudssnoei
wordt jaarlijks toegepast. Oude takken worden geruimd om plaats te maken
voor jonge takken, waterloten worden verwijderd evenals zwakke en
kromgroeiende twijgen. Verjongingssnoei is het wegnemen van oude takken
waardoor de groei weer gestimuleerd kan worden. Het snoeien wordt best
uitgevoerd in de winter bij vorstvrij weer.
PEER
De peer behoort tot het geslacht Pyrus. Perenbomen stellen weinig eisen
aan de grond, voldoende voedsel bevordert de groei en bloei sterk.
Perenbomen nemen niet veel ruimte in en zijn gemakkelijk te vormen. Als
leivorm plant men ze best ongeveer 1.50 m uit elkaar. De groei wordt
zoals bij de appel beheerst door het insnoeien. Dit gebeurt ook best in
de winter bij vorstvrij weer.
PRUIM
De pruimenrassen behoren tot het geslacht Prunus domestica. Ze stellen
weinig eisen aan de grond en de standplaats. Pruimenbomen kan men best
na de oogst of als de bomen in het voorjaar gaan uitlopen snoeien.
Hierdoor zal de snoeiwond snel vergroeien. Elk jaar dunne takken
wegsnoeien is beter dan bij oude bomen grote takken weg te snoeien en
zodoende grote wonden te maken. Sommige pruimenbomen zijn zelfbestuivend
en daardoor zeer geschikt als solitair in kleine tuinen. Andere soorten
geven juist de voorkeur om met meerdere bij elkaar te staan voor een
goede vruchtopbrengst.
KERS
De kers behoort tot het geslacht Prunus. Kersenbomen stellen weinig
eisen aan de grond. Hij groeit meestal goed en gezond. Of de boom het
naar zijn zin heeft kan men zien aan de stam. Deze behoort glad te zijn.
Is hij knoestig, dan mankeert er iets aan de grond, de waterhuishouding
of aan de bemesting. Kersen snoeit men best in de zomer na de oogst.
Tijdig snoeien voorkomt dat men later dikke takken moet verwijderen,
waardoor grote wonden ontstaan. Een te dichte kroon moet echter worden
uitgedund ook als het al oudere takken zijn. Daarom is het beter bij het
opkweken jonge takken die te veel zijn geheel weg te snoeien. Andere
takken krijgen hierdoor voldoende ruimte om uit te groeien.
KRIEK
De kriek is nauw verwant aan de kers en behoort ook tot het geslacht
Prunus. Krieken stellen weinig eisen aan de grond en zijn zelfbestuivend.
Krieken, ook zure kersen genoemd, worden vooral gekweekt voor de inmaak.
Het snoeien gebeurt op dezelfde manier als bij de kersen.
PERZIK
De perzik behoort tot het grote geslacht Prunus. De verschillende
fruitsoorten van het geslacht prunus hebben gemeen dat ze steenvruchten
dragen. Bij de perzik is deze steenvrucht groot en gegroefd. Ons klimaat
is niet bepaald gunstig voor de teelt van perziken doordat de bomen
vroeg in het voorjaar (maart) bloeien. De kans is daardoor ook groot dat
de bloesem (het vruchtbeginsel) van vorst te lijden krijgt. Daarom is
het belangrijk de perzikboom op een beschutte plaats te zetten (bv. voor
een muur op het zuiden). Op een zonnige plaats en een kalkrijke grond
groeit de boom zeer goed. Een beetje kalk in de plantput mengen is aan
te raden. De perzikboom best snoeien direct na de oogst. Snoeien bestaat
uit het wegnemen van dorre takken. Wanneer de boom overvloedig beladen
is met vruchten, is het aangeraden goed te dunnen. De boom zal er goed
bij varen. De grootte van de vruchten en de smaak wordt erdoor bevorderd.
De perzikboom is zelfbestuivend.
NECTARINE
Een nectarine is eigenlijk een perzik met een gladde schil. De eisen wat
betreft grond zijn dan ook dezelfde als bij de perzik. Een kalkrijke
grond en een zonnige standplaats genieten de voorkeur. Het is aan te
raden kalk in de plantput te mengen om een beter resultaat te bekomen.
Nectarines zijn zelfbestuivend.
AMANDEL
De amandel (Prunus dulcis) kan als vrijstaande boom geplant worden. Hij
doet het goed op een zonnige warme plaats, bij voorkeur een doorlatende
kalkrijke grond. De snoei is na de oogst. De zoet smakende vruchten kan
men drogen op een koele plaats en bewaren. Pluk de vruchten wanneer deze
rijp zijn, ze zijn dan zeer aromatisch.
ABRIKOOS
De abrikoos is een kleine boom of struik en behoort eveneens tot het
geslacht Prunus. Omdat de boom zeer gevoelig is aan nachtvorst, is de
teelt nooit echt belangrijk geworden. Plant men ze op een zeer zonnige
en goed beschutte plaats, tegen een muur en liefst op een kalkrijke
grond, kan men wel goede resultaten behalen. De abrikoos levert zeer
sappige vruchten, mits men de oogst wacht tot ze geheel rijp zijn. In
warme streken is de abrikoos een belangrijk exportartikel. Ze worden
veelal gedroogd en geconserveerd. De abrikoos is zelfbestuivend.
DRUIF
De druif, ook door sommigen gekend als Vitis, stelt weinig eisen aan de
grond mits men de nodige plantcompost in de plantput mengt. Soms steekt
men ook al eens stenen bij in de plantput omdat deze de warmte beter
opnemen en ze ‘s nachts weer kunnen afgeven. Druiven groeien best op een
zonnige beschutte plaats tegen een muur of aan een draad of paal. Ze
gedijen ook heel goed in de serre of veranda. Het snoeien van druiven is
iets moeilijker. De hoofdstam laat men de eerste jaren bijgroeien met 40
à 80 cm per jaar. De overige takken snoeit men weg. Dit doet men tot men
de gewenste hoogte bereikt heeft. Jaarlijks de zijtakken in de
winterperiode insnoeien tot op 2 ogen. Op de ranken die dan uitgroeien
komen de vruchten. De vruchtdragende scheuten worden elke zomer getopt
zodat bladeren en vruchten elkaar niet bedekken, na de druiventros 2
bladeren laten staan, de rest weg nemen. Al in het tweede jaar kan men
vruchten verwachten. Om grote druiven te krijgen moeten de trossen
gedund worden. Knip wanneer de druiven zo groot zijn als een erwt,
ongeveer de helft weg. Houd daarbij de vorm van de tros een beetje in de
gaten. De overgebleven druiven groeien nu des te beter.
BESSEN
STEKELBES (of KRUISBES)
De stekelbes (ook knoesel genoemd) stelt weinig eisen aan grond en
standplaats, wel hebben ze een lichte voorkeur voor vochtige grond. Half
schaduw wordt goed verdragen. De bessen komen aan het éénjarig hout en
zijn rijp vanaf einde juni. Het snoeien bestaat uit uitdunnen en
insnoeien. Fel afhangende takken wegsnoeien, de sterkste laten staan.
Plantafstand bedraagt 1 tot 1.50m.
TROSBES OF AALBES
De 3 aalbessoorten, rode, witte en zwarte, stammen allen af van het
geslacht Ribes. Ze behoren tot het zogenaamde kleinfruit en kunnen op
alle gronden worden gekweekt als de bodem maar niet te droog is.
Plantcompost in de plantput mengen is wel aan te raden. De plantafstand
van de rode en witte bessen bedraagt ongeveer 1 à 1.50 m. Bij de zwarte
bessen is deze plantafstand groter, 1.50 tot 2m omdat het brede struiken
worden. De takken van de struik moet men insnoeien en uitdunnen zodat
ook het hart van de struik voldoende licht krijgt. Zwarte bessen snoeit
men drastisch terug na het planten zodat krachtige nieuwe scheuten tot
ontwikkeling komen. Dan is snoeien niet meer nodig totdat de plant
vrucht gedragen heeft. Na de vruchtdracht jaarlijks uitdunnen en
insnoeien. Bij rode en witte bessen snoeit men de takken tot op de helft
terug en zijscheuten tot 2,5 cm. Zomersnoei is goed om het jonge hout te
doen rijpen. Tenslotte nog even een woordje uitleg over de smaak van de
bessen. Rode bessen hebben een zoetzure smaak. Witten bessen zijn iets
zoeter. Zwarte bessen (ook cassis genoemd)hebben een zeer speciale smaak
alsook aroma, ze worden meestal gebruikt voor confituur en sap. De
takken en bladeren van de struik zijn bij het wrijven fel riekend.
BRAAMBES
Braambes of Rubus stelt ook weinig eisen aan de grond en standplaats.
Plantcompost in de plantput mengen bevordert echter de groei. Men moet
bramen meestal wel leiden, de takken kunnen meterslang worden. De snoei
beperkt zich tot het wegnemen van zwaar oud hout in het voorjaar.
Doordat ze op tweejarig hout dragen, moet men geen grondscheuten of
éénjarig hout wegnemen tenzij dit nodig zou zijn om te leiden of om de
struik uit te dunnen. Braambessen zijn zelfbestuivend en zeer vruchtbaar.
AMERIKAANSE BOSBES
De Amerikaanse bosbes (Vaccinium corymbosum) is een veredelde bosbes met
grote zoete vruchten, rijp in juli - augustus. De bosbessen gedijen zeer
goed in ons klimaat en zijn zeer vruchtbaar, mits ze aangeplant worden
in vochtige zure grond. Turf mengen in het plantgat is aan te raden. Na
het planten kan men eventueel de bodem afdekken met turf, bladgrond en
dennennaalden, dit voorkomt uitdroging van de grond. In het voorjaar de
oude afgedragen takken wegsnoeien is voldoende. Hiermee beperkt men zich
tot verjongingssnoei.
FRAMBOOS
De framboos (Rubus idaeus) vraagt een voedzame bodem die voldoende
vochtig is. Lichte schaduw wordt verdragen. Het is aan te raden
plantcompost in de plantput onder te mengen. Frambozen mag men dicht
tegen elkaar planten 4 à 5 per lopende meter. Het eerste jaar dragen de
scheuten niet. In het volgende jaar de uit de grond schietende scheuten
wegknippen, dit kan tot begin mei. De scheuten die dan nog volgen laat
men doorgroeien. De tweejarige scheuten dragen vrucht vanaf half juli.
Na de oogst moet men ze tot tegen de grond wegknippen. In de winter
mogen de planten getopt worden.
NOTEN
HAZELNOOT
De hazelnoot (Corylus avellana) stelt geen speciale eisen aan de grond.
Hij groeit op de meeste niet te droge gronden en kan zeer goed schaduw
verdragen. Wanneer men meerdere soorten bij elkaar plant krijgt men een
goede vruchtzetting. Hazelaar verdraagt snoei uitstekend, hoewel deze
niet noodzakelijk is. De noten na droging koel bewaren.
WALNOOT OF OKKERNOOT (Juglans regia)
Walnoten zijn prachtige vrij grote bomen. Bij het planten kan men best
plantcompost in de plantput vermengen met de eigen grond. Veredelde
notenbomen zijn duurder in aankoop, maar geven eerder en meer vruchten (bv
Broadview of Buccaneer). Snoei is niet echt nodig, behalve wanneer er
dode, zieke of elkaar kruisende takken tussen zitten. De walnoot gedijt
best op voedselrijke grond en verlangt volle zon. Snoei zo min mogelijk,
alleen ‘s zomers (ivm de sapstroom). De vruchten kan men oogsten wanneer
de groene bolster barst, drogen en koel bewaren.
KASTANJE (Castanea sativa)
De tamme kastanje is een snelgroeiende boom. In het najaar laat de boom
prikkelige groene bolsters vallen waarin eetbare vruchten nml. de
kastanjes zitten. De kastanjeboom heeft voorkeur voor een vochtige bodem
en kan vrij veel schaduw verdragen, toch geniet een warme plek de
voorkeur.
MOERBEI
De moerbei of Morus nigra zijn vooral geteeld voor de kweek van
zijderupsen. Toch heeft zij verrukkelijk smakende vruchten die gelijken
op grote braambessen. Ze hebben een fijne zoete smaak en worden veelal
gebruikt om jam van te maken, maar kunnen ook zo gegeten worden. De boom
vraagt een losse vochthoudende grond.
MISPEL
De mispel of Mespilus germanica is een niet veeleisende struik of kleine
boom. De vruchten hebben een bijzondere smaak, die door sommige mensen
wel, door andere niet op prijs wordt gesteld. De vruchten plukt men pas
na enkele nachten met vorst. Daarna moeten ze in huis narijpen tot ze
zacht zijn, niet rot! De vruchten zijn geschikt voor confituur,
confijten en fruitwijn.
KWEEPEER
Kweepeer of Cydonia oblonga vormt een grote struik of kleine boom met
peervormige vruchten. Rauw zijn de vruchten echter niet te eten, het
vruchtvlees is heel hard en wrang van smaak. Na toevoeging van voldoende
suiker is het vruchtvlees als jam, smaakmaker in bijvoorbeeld appelgebak,
ijs en compot. De kwee gedijt op iedere niet te droge grond. Snoei
verdraagt hij uitstekend, hoewel die niet noodzakelijk is. Het
verwijderen van oud hout is echter wel belangrijk.
KIWI
De kiwi of Actinidia chinensis is een klimplant die we soms wel eens
aantreffen langs een pergola. Het is een decoratieve, snelgroeiende
plant die bij ons toch wel een beetje vorstgevoelig is, een plekje op
het zuiden is aan te raden. Voor het planten is het belangrijk de
plantput voldoende ruim en diep te maken. Sterkgroeiende takken moet men
in de zomer regelmatig insnoeien. Voor de bevruchting is het nodig een
mannelijke en vrouwelijke plant bijeen te zetten. Tegenwoordig zijn er
ook al zelfbestuivende planten in de handel. De vruchten zijn behaard,
groenbruinachtig en bevatten zeer veel vitamine-C. Het is een lekkere
vrucht met een friszoete smaak. De kiwi vraagt een voedzame
vochthoudende grond.
VIJG
Vijgen (Ficus carica) groeien zeer goed en gezond op gewone tuingrond.
De vijgenboom, die vaak alleen om zijn decoratieve waarde geplant wordt,
verlangt wel een beschutte plaats tegen een warme muur. Men moet er
rekening mee houden dat ze vorstgevoelig zijn en moeilijk rijpen in ons
klimaat. Wanneer men een vijgenboom in de serre of veranda zet, kan men
wel goede resultaten bekomen. De snoei is vrij eenvoudig, in het
voorjaar worden de vruchttakken tot op één of twee knoppen teruggesnoeid.
Ook al het hout dat in de winter schade heeft ondervonden evenals
ongewenste scheuten moet men verwijderen. Uitdunnen is aan te bevelen.
AARDBEI
De aardbei (Fragaria ananassa) behoort als enigste fruitsoort tot de
vaste planten. Alle andere soorten zijn struiken, bomen of klimplanten;
de zogenaamde houtige gewassen. Aardbeien houden van lichte,
vochthoudende en humusrijke grond. Ze kunnen zowel in volle grond
geplant worden als in pot. Wie geen last van onkruid tussen de aardbeien
wil hebben, legt voor het planten zwarte plasticfolie over de grond uit.
Maak een klein gat op de plaats waar de aardbei wordt geplant. De
plasticfolie zorgt er ook voor dat vocht en warmte behouden blijft. Stro
tussen de aardbeien heeft hetzelfde effect. Wanneer de aardbeien in
rijen worden geplant, is 60à70 cm tussen de rijen nodig. In de rij zelf
is 35 à 40 cm voldoende.
Bij enkele fruitsoorten moet er rekening gehouden worden met de
bestuiving. Sommige soorten zijn zelfbestuivend, andere hebben een
andere soort nodig die zorgt voor de bestuiving. Voor appels, peren,
pruimen en kersen hebben we enkele bestuivingstabellen opgesteld die u
hieronder kan raadplegen.




|